Geschiedenis van Apeldoorn in een notendop
Als "villa ut marca Appoldro" werd Apeldoorn voor het eerst genoemd in een schenkingsakte uit 792/793. De plaats zal toen niet meer geweest zijn dan een buurtschap. Maar wel een welvarende, want in die tijd bloeide op de Veluwe de smeedijzerindustrie. Zowel de grondstof, de ijzerhoudende klapperstenen, als de brandstof voor de smeltovens, hout uit de uitgestrekte loofbossen, waren in ruime mate voor handen. Door concurrentie en het schaarser worden van brandstof door overmatige houtkap ging rond 1300 de ijzerindustrie teloor. Tegen die tijd was Apeldoorn inmiddels een kerkdorp geworden.
Papier
In de late middeleeuwen werd het dorp het bestuurlijk en rechterlijk
middelpunt van het gelijknamige schoutambt. De grenzen van het ambt kwamen
ruwweg overeen met de huidige gemeentegrenzen. Het grootste deel van de
bevolking was werkzaam in de landbouw. Dit veranderde niet wezenlijk toen eind
16de eeuw een nieuwe vorm van bedrijvigheid opkwam, de
papiernijverheid. In 1593 werd in Apeldoorn aan de Grift de eerste
papiermolen gesticht. In de 17de en 18de eeuw zouden er
nog vele volgen. De papiernijverheid bleef tot omstreeks 1800 een bloeiende
bedrijfstak, waarna zijn betekenis snel afnam. Enkele papiermolens werden
gemachinaliseerd en groeiden uit tot de latere grote papierfabrieken. Andere
werden omgezet in kopermolens en vanaf de tweede helft van de 19de
eeuw in wasserijen.
De Oranjes
Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van Apeldoorn was de aankoop
in 1684 van Huis Het Loo door stadhouder Willem III. Naast het huis, dat te
klein was, liet hij naar de smaak van die tijd een imposant nieuw buitenverblijf
bouwen, paleis Het Loo. In de perioden 1694-1702 en 1748-1795 bezaten de Oranjes
zelfs de bestuurs- en rechtsmacht over (een deel van) het ambt Apeldoorn, dat
toen bekend stond als de Hoge Heerlijkheid Het Loo. De stadhouderlijke en later
koninklijke familie verbleef met uitzondering van de eerste helft van de
negentiende eeuw geregeld, soms zelfs nagenoeg permanent op het paleis. De
aanwezigheid van de Oranjes had, zeker ten tijde van koning Willem III en zijn
dochter koningin Wilhelmina, in sociale en economische zin een gunstige invloed
op de ontwikkeling van Apeldoorn.
Toenemende bedrijvigheid
Deze ontwikkeling verliep in de 19de, maar vooral in 20ste
eeuw af en toe stormachtig. Telde het ambt Apeldoorn in 1795 zo’n 4.400
inwoners, een kleine eeuw later, in 1890, was dit reeds toegenomen tot 19.520.
De aanleg van het Apeldoorns kanaal, waarvan het eerste deel naar Hattem in 1829
gereed kwam en het tweede deel naar Dieren in 1869, werkte als een aanjager voor
de industrialisatie en groei van Apeldoorn. Hetzelfde kan gezegd worden van de
aansluiting van Apeldoorn op het spoorwegennet in 1876. Deze verbeteringen van
de infrastructuur leidden er met name in de decennia rond 1900 toe dat steeds
meer bedrijven zich in Apeldoorn vestigden. De ontwikkeling van Apeldoorn van
dorp tot stad werd steeds duidelijker; in 1940 telde Apeldoorn al 74.447
inwoners.
Gedaanteverwisseling
Hoewel de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog zeer zeker
niet onopgemerkt aan Apeldoorn voorbij zijn gegaan, hebben zij uiteindelijk geen
invloed gehad op de verdere groei. Lange tijd was Apeldoorn zelfs één van
snelst groeiende gemeenten van Nederland. De in de jaren zestig ingezette
decentralisatie van rijksdiensten, waarvan zich vele in Apeldoorn vestigden, gaf
de stad al gauw de bijnaam "Tweede schrijftafel des lands". Om de
groeiende bevolking te kunnen huisvesten, werden hele nieuwbouwwijken uit de
grond gestampt. Apeldoorn onderging daarbij een ware gedaanteverwisseling. De
gemeente behoorde dan ook in 2000 met zijn 153.751 inwoners tot de tien grootste
gemeenten van Nederland.
Bron: Gemeente Apeldoorn